Twaalftoonssysteem in jazz
THEO HOOGSTINS  LAAT SCHöNBERG  SWINGEN
"Theo Hoogstins: ....Ik wil welluidende, smaakvolle muziek maken...."
Bassist Theo Hoogstins neemt in de Nederlandse jazz- en improvisatie-muziek een bijzondere plaats in. Als eerste heeft hij Peter Schats (twaalftoons-) compositiemethode De Toonklok in de jazz toegepast. Op 10 oktober wordt in de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw de cd 'Ear Opener' van het Theo Hoogstins Octet gepresenteerd.
Hans van Westen
 
 

De Toonklok is een adaptatie van Arnold Schönberg  twaalftoons- of dodecafonische systeem. Het twaalftoonssysteem werd rond 1920 door Schönberg  en zijn leerlingen (met name Alban Berg en Anton Webern; de zogeheten Tweede Weense School) ontwikkeld. Daarin hebben de noten van een compositie geen relatie meer tot een grondtoon of tonica, maar uitsluitend tot elkaar. De muziek van de Weners kenmerkte zich door grote intervallen, variaties in klankdichtheid en een hoge abstractiegraad.
Met de diatoniek zette Schönberg de gangbare harmonieleer bij het grof vuil. Peter Schat heeft deze strenge theorie van haar scherpe en kille kantjes willen bevrijden. Het Toonklok-model haalt de harmonie weer binnen. Schat bracht de twaalf mogelijke combinaties van drieklanken in de chromatische toonladder onder in een systeem.

Bij toeval kwam Theo Hoogstins bij De Toonklok uit. Op het Groninger conservatorium raakte hij vertrouwd met het werk van pianodocent Bé Meiborg, die met twaalftoons-jazz experimenteert. Theo verdiepte zich in Schönberg en stuitte op het probleem van de harmonie. Toen hij probeerde om, uitgaande van de dodecafonie, toch een harmonisch systeem te behouden, kwam hij steeds dichter bij de oplossing van Peter Schat. Pas later ontdekte bij dat het bewuste systeem reeds ontwikkeld was. In plaats van de grondtoon hanteert Theo een soort zwevende tonaliteit, zoals bijvoorbeeld Claude Debussy die reeds gebruikte. Hij werkt nu twee jaar tot volle tevredenheid met de Toonklok.
De muziek van Theo Hoogstins klinkt niet als twaalftoonsmuziek, dat is het eerste wat opvalt, zijn muziek maakt allerminst een steriele of gekunstelde indruk. ‘Hoogstins klinkt jazzy en vertrouwd’, kopte Frans van Leeuwen boven een recensie in NRC Handelsblad. Hoogstins geeft ook volmondig toe dat hij welluidende, smaakvolle muziek wil maken. Waarom gebruikt hij dan de Toonklok? Komt hij daarmee niet via een omweg uit op dezelfde plek waar alle andere jazzmusici, die de Klok zelfs nog niet hebben horen luiden, reeds bezig zijn? Het is, zegt bij, een probaat middel om homogeniteit in de muziek te krijgen. Of  het publiek het hoort of niet maakt niks  uit - hij weet zo dat zijn stukken goed in elkaar  zitten.
Ook Theo streeft ernaar de diatonische toonIadder kwijt te raken. Hetzelfde resultaat werd rond 1960 overigens op een andere manier bereikt met de modale jazz van Miles Davis, Bill Evans, John Coltrane en George Russell. Die modale of reeksenjazz kwam uiteindelijk uit op het doodlopende pad van de free jazz, maar dat staat Hoogstins niet bepaald voor ogen.
Hoe gaat nu het improviseren in zijn werk? Er zijn twee mogelijkheden. Of er wordt op een akkoordenschema, afgeleid van de Toonklok, geïmproviseerd, of op een toonreeks uit het betreffende stuk. Voor die eerste optie heeft Hoogstins altsaxofonist Ben Herman aan boord, die is daar een kei in. In het vrij improviseren op een toonreeks is Octetpianist Jan Jongbloed weer een uitblinker.

Theo Hoogstins (Kollum, 1955) begon zijn muzikale loopbaan als veertienjarige in een familie-rock and rollbandje. In 1972 wilde hij op de Groninger Muziekschool piano gaan studeren; daar er een wachtlijst van twee jaar was koos hij voor contrabas. Dat had als bijkomend voordeel, dat hij een instrument van de school in bruikleen kreeg. Van 1977 tot ‘84 studeerde hij contrabas (klassiek) aan het conservatorium. Bij de Groninger theatergroep De Voorziening kon hij aan de slag. In 1987 begon hij de hardbopgroep Times. Datzelfde jaar kreeg hij de compositieprijs van het NOS-Jazzfestival in de Amsterdamse Meervaart. Drie jaar later volgde de solistenprijs van het Middelsee Jazztreffen in Leeuwarden.
In 1991 componeerde hij de muziek voor de korte speelfilm In Kille Sferen. Voor die opdracht werd een octet samengesteld waarmee de muziek live in het Amsterdamse Bimhuis werd opgenomen. Dat was het begin van het Theo Hoogstins Octet. De muziek voor In Kille Sferen was de eerste geslaagde toepassing van het Toonklok-principe. Met subsidie van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst had hij een jaar kunnen werken aan het uitwerken van het concept.
Theo gebruikt het Octet als voertuig voor zijn composities. Daarmee zet hij twee tradities voort: die van de middelgrote Nederlandse ensembles als het Willem Breuker Kollektief, het Instant Composers Pool orkest en het Herbie White Orchestra en die van het lineaire arrangement, zoals mensen als Gerry Mulligan en Bill Holman dat ontwikkelden. Met die laatstgenoemde aanpak heeft hij zich verwijderd van de Nederlandse impro van de jaren zeventig. Een ander verschil is dat Theo’s muziek echt kan swingen en ‘mooi’ mag zijn, waarmee hij weer precies in de jaren negentig past. Het enige bezwaar dat je tegen zijn opzet
zou kunnen inbrengen is, dat de stukken uiteenvallen in een gecomponeerd en niet-swingend deel en een geïmproviseerd gedeelte dat wèl swingt. Een manco dat overigens aan meer Nederlandse middelgrote groepen kleeft. De overgangen zijn abrupt en er is weinig eenheid en continuïteit. Het gaat hier natuurlijk uiteindelijk om het aloude probleem van het wringen tussen de Europese en Afro-Amerikaanse muziek.

Naast het Octet is Theo assistent-leider van De Boventoon, het leerorkest van tenorist Herman de Wit, waarvoor hij Toonklok-nummers schrijft. Dit geeft hem de gelegenheid, de toepassing van dit principe in de jazz over te dragen.
De nieuwe cd Ear Opener geeft een beeld van het veelzijdige kunnen van Theo Hoogstins als leider, componist, arrangeur en instrumentalist.
Het ziet er naar uit, dat hij met het schijfje een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de Nederlandse jazz-muziek.
 

JAZZNU nr. 176. oktober 1993